Debat C-U-There

21 november 2008

Geen dorp, geen stad, maar een ‘paletstad’: Maakbare openbare ruimte in een nieuwe stad?

Hoe ervaren en gebruiken bewoners van een groeigemeente als Haarlemmermeer de openbare ruimte? Wat is er goed en wat kan er beter? Het debat ‘C-U-There’, dat het Podium voor Architectuur op vrijdag 21 november 2008 organiseerde in Pier K in Nieuw-Vennep, leverde een aantal bruikbare antwoorden op.

Juist in een groeigemeente als Haarlemmermeer, die het moet stellen zonder eeuwenoude stadscentra en stadsstraten, zijn openbare ruimtes van groot belang. Zijn ze er überhaupt en zo ja, hoe zien ze eruit? Komen er mensen bij elkaar of zijn de ruimtes juist leeg en verlaten? Op deze vragen en meer probeerden zeven experts antwoord te geven tijdens het debat ‘C-U-There’. Vanuit hun eigen expertise presenteerden zij allemaal een stelling die ingaat op de maakbaarheid van ontmoetingen in de (stedelijke) openbare ruimte. JaapJan Berg, onafhankelijk curator, organisator en journalist op het gebied van architectuur en ruimtelijke ordening, leidde deze discussie.

“Er moet in stadscentra geflaneerd kunnen worden”. Volgens stadssocioloog Ivan Nio is dit een voorwaarde voor de ‘stedelijkheid van een stad’ dat je in stadscentra doelloos zou moeten kunnen rondwandelen, om elkaar ook ‘zomaar’ op straat tegen te komen en niet in het privédomein te verblijven. Landschapsarchitect Hans Oerlemans, van OKRA landschapsarchitecten, vindt dat mensen vooral de ruimte moeten krijgen: zij zullen dan vanzelf een eigen invulling geven aan de openbare ruimte. En dat ze zich kunnen verwonderen over een bepaalde plek wat weer zorgt voor sociaal contact. Stedelijkheid zorgt voor meer ontmoetingskansen en ontstaat echter alleen bij stapeling van netwerken, aldus socioloog Frans Driessen van Bureau Driessen. De ‘stapeling’ van verschillende functionele netwerkknooppunten, zoals woon-, werk-, recreatie- en winkelfuncties, moet gebeuren in centra van groeikernen, zodat die ook bewoond worden. Dit leidt tot contrasten, en vervolgens tot een eigen identiteit, waardoor een goed functionerend stadcentrum kan ontstaan.

Marit Geluk, van the International New Town Institute, spreekt liever van 'nieuwe steden' in plaats van 'groeikernen'. Nieuwe steden worden in relatief korte perioden bedacht en gebouwd, alles wordt gepland. Tegenover de ‘nieuwe steden’ staan zelforganiserende steden, met als meest extreme voorbeeld de sloppen. Hier blijkt juist dat gebrek aan private ruimte het gebruik van de publieke ruimte intensiveert. Geluk vraagt zich af of wij iets zouden kunnen leren van die informele processen en zelforganiserende vormen van stedenbouw. Wat men immers wil, is ‘leven op straat’, ook in nieuwe stadscentra, en een gevoel van geborgenheid krijgen in de openbare ruimte. ‘Mensen lijden tegenwoordig aan interactieve metaalmoeheid’, stelt filosoof Gijs Oenen, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is van mening dat de openbare ruimte richting zou moeten geven aan de confrontaties die daar plaatsvinden. Hoewel we de interactiviteit en het recht tot zelfbeschikking enorm waarderen, ervaren we het moéten meedenken en zelf kiezen ook als 'last', mede door teveel prikkels van buitenaf. Marjan van Gerwen, directeur van Vario Mundo, benadert het thema daarentegen vanuit het culturele perspectief. Haar uitgangspunt is het woord ‘ont-moeten’, ‘ont’ en ‘moeten’; want je moét juist niets; ontmoetingen zijn interessant maar vrijblijvend. Met cultuurprogramma’s wil ze bijdragen aan de ontwikkeling van een culturele identiteit. Door de geschiedenis van een plek te verbinden aan de dagelijkse bezigheden, wensen en verwachtingen van nieuwe bewoners, zorg je ervoor dat mensen betrokken raken bij de buurt waarin ze samen leven.

“Groeigemeenten zijn goed in het stapelen van stenen en vergeten daarbij de sociale samenhang te creëren in de directe woon- en leefomgeving”, stelt tenslotte Arthur van Dijk, wethouder economische zaken Haarlemmermeer. In een gemeente als Haarlemmermeer wordt op de ene plek gebouwd, terwijl een andere wijk zich inmiddels al druk aan het ontwikkelen is. Volgens hem is Haarlemmermeer een paletstad; geen stad, geen dorp, maar een groeigemeente met een divers palet aan ontwikkelingen. En ontwikkelingen hebben immers tijd nodig, vooral om te kunnen groeien.

Het initiatief voor deze intieme dialoog voor (ervarings)deskundigen kwam voort uit een samenwerkingsproject tussen de drie ‘groeikerncentra’ in Haarlemmermeer (Podium voor Architectuur Haarlemmermeer), Houten (Architectuurcentrum Makeblijde) en Almere (CASla).

Persoonlijke biografieën van de sprekers:

Sprekers:
Ivan Nio (stadssocioloog), Hans Oerlemans (OKRA landschapsarchitecten), Frans Driessen (Bureau Driessen; Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek), Gijs Oenen (filosoof), Marjan van Gerwen (Vario mundo; culturele strategie), Arthur van Dijk (wethouder economische zaken Haarlemmermeer), Marit Geluk (International New Town Institute)
Moderator: JaapJan Berg (onafhankelijk curator, organisator en journalist op het gebied van architectuur en ruimtelijke ordening)

Ivan Nio (stadssocioloog):
Ivan Nio studeerde sociale geografie en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1999 heeft hij een eigen onderzoeksbureau te Amsterdam (NIO Stedelijk Onderzoek). Hij heeft zich gespecialiseerd in stedelijke vraagstukken in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen. In zijn onderzoek en artikelen heeft hij verschillende thema’s verkend op het grensvlak van ontwerpende en sociaal-wetenschappelijke disciplines. Het spanningsveld tussen de geplande en ontworpen stad enerzijds en de geleefde en beleefde stad anderzijds is het centrale thema van zijn onderzoeken en publicaties. Als redacteur van het tijdschrift Stedebouw & Ruimtelijke Ordening was hij verantwoordelijk voor themanummers over onder andere openbare ruimte, leefstijlen, suburbanisatie en het alledaagse.
Hij is (co)auteur van een aantal boeken zoals ‘Buitenwijk; Stedelijkheid op afstand’ (1998) en ‘Atlas van de Westelijke Tuinsteden’ (2008).
Nio is tevens gastdocent stadssociologie aan de Universiteit van Amsterdam.
In 2008-2009 werkt hij als gastonderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving aan het project ‘Atlas van de Nieuwe Steden’. Daarnaast verricht hij samen met de architecten Nynke Jutten en Willemijn Lofvers een ruimtelijk-sociologisch onderzoek naar woonerfwijken.

Groeigemeenten als Houten, Almere, Hoofddorp en Zoetermeer hebben een ambivalent karakter. Het zijn typisch Nederlandse suburbs met mobiele bewoners die zich oriënteren op een regionaal schaalniveau. Maar tegelijkertijd zijn de groeigemeenten door hun omvang inmiddels ook te beschouwen als middelgrote steden met een dikwijls heterogene bevolking en een steeds beter voorzieningenniveau. De groeigemeenten zijn aan verstedelijken, sociologisch en functioneel. De suburbane stedelijkheid waarvan sprake is noodzaakt ons om de openbare ruimten in deze gemeenten opnieuw te doordenken. Naast de winkel- en horecacentra ontstaan nieuwe publieke domeinen in recreatiegebieden en langs snelwegen. Plekken van drukte en samenkomst in groeigemeenten zijn dikwijls tijdelijk van karakter. De vraag is niet of er nog behoefte is aan een fysieke openbare ruimte (want die is er), maar in hoeverre er nog behoefte is aan een openbare ruimte die de gebruikers niet louter reduceert tot winkelende consumenten of passanten. Zijn er voorwaarden te creëren voor een publieke ruimte die ruimte laat voor toe-eigening, experimenten en eigen initatieven van bewoners? Welke aanknopingspunten zijn er voor meerduidige publieke domeinen, op welke plekken en schaalniveaus? Welke aanknopingspunten bieden de ruimtelijke praktijken van bewoners?

Hans Oerlemans (OKRA landschapsarchitecten) – www.okra.nl
Hans Oerlemans is één van de oprichters en partners van OKRA landschapsarchitecten, een toonaan­gevend landschapsarchitecten bureau uit Nederland.
Hij is in 1991 als Landschapsarchitect afgestudeerd aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, met een deel Urban Design aan de TU Delft. Na zijn afstuderen werkte hij voor de gemeente Haarlemmermeer. Als een van de vier oprichters van OKRA landschapsarchitecten, werkt hij aan een breed scala aan vormgevende opdrachten. Dit varieert van abstracte plannen en lange termijnvisies voor de ontwikke­ling van landschappen en stedelijke ruimten, tot gedetailleerde ontwerpen voor ruimtelijke inrichtingen en architectonische objecten. Binnen dit pakket ligt een accent op visies, structuurplannen en groene projecten. Een paar voorbeelden van zijn projecten zijn: Afrikaanderplein Rottterdam, nationale prijs voor beste stedelijke ruimte 2003-2005 en Highbrook, Nieuw Zeeland. In 2000 heeft hij, met sub­sidie van het Stimuleringsfonds voor de Beeldende Kunst, Vormgeving en Architectuur, een half jaar samengewerkt met het bureau van wereldfaam Peter Walker Partners, USA.

OKRA landschapsarchitecten is gespecialiseerd in het maken van plannen en ontwerpen voor openbare ruimte in stedelijk gebied en aan de stad gerelateerde buitengebieden. Inmiddels is OKRA uitgegroeid tot een gerenommeerd bureau met projecten in binnen- en buitenland. OKRA koppelt visie aan maakbaarheid. Voor een consistent ontwerp dient het achterliggende idee zowel uit het geheel als het detail afleesbaar te zijn. De combinatie van conceptuele plannen én een perfecte uitvoering is de kernkwaliteit van het bureau.

Frans Driessen (Bureau Driessen; Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek) – www.bureaudriessen.nl
Frans Driessen is socioloog, gepromoveerd in de geneeskunde en oprichter van Bureau Driessen.

Bureau Driessen is werkzaam voor de (semi-)overheid, meestal op het gebied van belangrijke maatschappelijke vraagstukken; zoals met betrekking tot verslaving, criminaliteit, optreden van politie, integratie en wijkproblematiek

Een voorbeeld van een onderzoek met betrekking tot Ruimtelijke Ordening, Milieubeheer en Verkeer is Carnaval der Stadsconcepten, waarbij in wordt gegaan op de manier van denken over steden, en daarmee ook de opbloei van concepten van de stad en van stedelijk ontwikkeling. De Amerikaanse filosoof Wilson spreekt van de 'postmoderne' stad die zich laat lezen als een gelaagde tekst. Dichter bij huis rept filosoof Boomkens van de 'stad zonder horizon'. Andere concepten die de revue passeren: de 'pretstad', 'corridor-stad', 'edge city', 'mega-city' en 'zap city' om er een paar te noemen. In een bij Bureau Driessen verschenen studie worden de diverse constructies nader tegen het licht gehouden en beoordeeld op hun betekenis voor het ruimtelijk beleid. In een recente studie (De Politie en het Verdwenen Sociale Kapitaal) wordt nagegaan op welke wijze sociale netwerkvorming in een wijk gestimuleerd kan worden.

Gijs Oenen (filosoof) - www2.eur.nl/fw/law/
Gijs van Oenen is sinds 1994 universitair docent aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Daar houdt hij zich bezig met ethiek, rechtsfilosofie, politieke & sociale filosofie en filosofie van mens & cultuur. Hij is leider van het NWO-project "Interactive metal fatigue".

Stelling:
"De publieke ruimte lijdt aan interactieve metaalmoeheid. Daarom is het belangrijker dan ooit hoe de ruimte wordt ingericht. De inrichting van de openbare ruimte geeft richting aan de confrontaties die daar plaats vinden."

Toelichting:
Hoewel er nog steeds een groot enthousiasme bestaat voor interactiviteit in politiek, openbaar bestuur en samenleving in het algemeen, beginnen burgers te lijden aan wat we 'interactieve metaalmoeheid' zouden kunnen noemen Nu we allemaal een geëmancipeerde leven leiden, hebben we de vrijheid om alleen te leven naar normen die we zelf onderschrijven, in plaats van naar normen die anderen ons opleggen. Maar die vrijheid begint langzamerhand een last te worden. Want wie vrij is om voor alle onderdelen van het eigen leven zelf de verantwoordelijkheid te dragen, is daar in wezen ook toe verplicht. Anders zouden we onszelf weer onmondig verklaren! Omdat we echter niet voortdurend en op alle terreinen van ons leven die last kunnen dragen, beginnen we te lijden aan uitvalsverschijnselen. Steeds vaker zeggen we: 'Nu even niet!' Met andere woorden: niet een gebrekkig besef van 'normen en waarden' is ons probleem, en ook niet een onwil om naar die normen en waarden te leven. Juist omdat we dat wel willen, liefst altijd en overal, beginnen we dit als een last te ervaren. We 'trekken het niet meer'.
Zo zijn we enerzijds steeds vaker niet meer in staat onszelf te 'sturen', maar accepteren we - als mondige en geëmancipeerde burgers - ook steeds minder makkelijk correctie door anderen.  'Dat maak ik zelf wel uit!' Omdat die 'interactieve bijsturing', in de vorm van communicatie en deliberatie, niet meer voldoende effectief is, zien we thans dat wordt geprobeerd via de vormgeving van de publieke ruimte tot zulke bijsturing te komen. Voorbeelden daarvan zijn camera's (CCTV),  OV-chippoortjes, vandalismebestendig meubilair, maar ook rotondes in het verkeer. Niet meer mensen, maar dingen worden ingezet om ons te corrigeren. Is dit de toekomst van het geëmancipeerde leven?

Marjan van Gerwen (directeur van Vario mundo; culturele strategie) – www.variomundo.nl
Vario Mundo opereert als stichting voor kunst en cultuur in Vathorst, een vinexlocatie in Amersfoort-Noord. De stichting werkt op het raakvlak tussen kunst en cultuur, met o.a. kunstopdrachten, jongerenevenementen, zomermanifestaties en workshops. De rollen van Vario Mundo lopen uiteen van initiatiefnemer, samenwerkingspartner, organisator en opdrachtgever tot aanjager en makelaar. Samenwerking is één van de krachten in de culturele strategie. Vario Mundo ontwikkelt daarom projecten samen met bewoners in Vathorst, kunstenaarsinitiatieven en uiteenlopende culturele en andere organisaties in Amersfoort en met Nederlandse en internationale kunstenaars.

Hoe maak je mensen betrokken bij hun buurt? Wat is het bindmiddel voor een succesvolle positieve identiteitsbinding? Of: ‘Hoe kan je de geschiedenis van een plek verbinden aan de dagelijkse bezigheden, wensen en verwachtingen van nieuwe bewoners?’ Dit zijn vragen op welke tijdens het debat door Vario Mundo zal worden ingegaan.

Arthur van Dijk (wethouder economische zaken Haarlemmermeer)
Arthur van Dijk, wethouder economische zaken Haarlemmermeer, is bijzonder geïnteresseerd in de leefomgeving van een stad. Zijn werkterrein houdt ook bedrijventerreinen en de dode kanten van een stad in. Tevens is hij projectwethouder van het Hoofddorps Centrum.
Arthur van Dijk is sinds november 2003 is de wethouder Economische Zaken, Jeugd en Onderwijs en Grondzaken in de Gemeente Haarlemmermeer. Na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2006 is Van Dijk herbenoemd en heeft hij de volgende portefeuilles: Economische Zaken, Jeugd en Onderwijs, Landbouw, Citymarketing en Deregulering, afwikkeling Vinex, Bedrijventerreinen en de ontwikkeling van Hoofddorp Centrum.
Van Dijk begon zijn loopbaan in 1986 bij het Ministerie van Financiën als opsporingsambtenaar bij de FIOD. In 1992 werd hij daar beleidsmedewerker, in 1995 sectorhoofd informatie en in 1999 waarnemend en plaatsvervangend hoofd Centrale vestiging informatie. In 2001 stapte hij over naar het Ministerie van Justitie (Directoraat-Generaal Rechtshandhaving, Directie Opsporingsbeleid) om daar als hoofd van het cluster Criminaliteitsbestrijding aan de slag te gaan.

Stelling:
"Groeigemeenten zijn goed in het stapelen van stenen en vergeten daarbij de duurzame sociale samenhang te creëren in de directe woon- en leef omgeving "

Marit Geluk (International New Town Institute) - www.newtowninstitute.org/
Het International New Town Institute (INTI) is een zelfstandig wetenschappelijk instituut te Almere, waarin de Universiteit van Amsterdam (UvA), de Technische Universiteit Delft (TUD), de Hogeschool van Amsterdam (HVA), Erfgoedcentrum Nieuw Land in Lelystad (NLE) en de Openbare Bibliotheek Almere (OBA) samenwerken. Daaraan zullen in de toekomst meerdere partners in Nederland en daarbuiten worden toegevoegd.

De missie van dit nieuwe instituut is het verwerven, activeren en uitdragen van kennis, ervaring en inzicht op het gebied van nieuwe steden ten dienste van hen, die voor de opgave staan nieuwe steden tot ontwikkeling te brengen of bestaande nieuwe steden te transformeren in geval van groei, stabilisatie of krimp. Als kennisinstituut heeft INTI verschillende doelgroepen: wetenschappelijke onderzoekers, studenten, en professionals in binnen en buitenland.
De belangrijkste onderliggende motieven voor de oprichting van het instituut zijn de wereldwijde verstedelijking, die met name in de ontwikkelende wereld tot een nieuwe hausse van New Towns heeft geleid en in de tweede plaats de herstructurering van de ‘oude’ New Towns met name in West-Europa, die een halve eeuw na hun stichting aan vernieuwing toe zijn. Beide fenomenen zijn van groot belang: ze vertegenwoordigen aanzienlijke investeringen, hebben ingrijpende sociale implicaties, en zullen leiden tot boeiende culturele verschuivingen. Dat geldt bijvoorbeeld zowel in het geval van de toekomstige miljoenensteden in China als van de grootschalige transformatieprojecten in de Franse banlieues.
 
INTI wil uitgroeien tot een instituut waar internationale onderzoekers, promovendi en studenten werken en studenten uit binnen- en buitenland studeren. Een internationaal documentatiecentrum nieuwe steden en een laboratorium met simulatiemodellen zal wereldwijd bezoekers trekken.

JaapJan Berg (onafhankelijk curator, organisator en journalist op het gebied van architectuur en ruimtelijke ordening)
JaapJan Berg (1965) is onafhankelijk curator, organisator en journalist op het gebied van architectuur en ruimtelijke ordening. Hij publiceert regelmatig in diverse (internationale) media zoals Bauwelt, Stadscahiers, S&RO, MARK, BladNA en Smaak. Hij is ook correspondent voor www.archined.nl en redactielid van het Jaarboek Architectuur in Nederland.
Berg is lid van de commissie Jaarprogramma’s van het Stimuleringsfonds voor Architectuur en geeft les aan de Academie Bouwkunst in Amsterdam. Voorheen werkte hij als curator bij het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) en was senior-coördinator bij CASLa, het architectuurcentrum van Almere. JaapJan Berg studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.